Schaatsen.nl nieuws

Schaatstechniek

De grondbeginselen van de schaatstechniek:

De schaatszithouding:
Bij deze schaatshouding proberen we de zit steeds dieper te maken, staan we recht op de schaats, zetten we de rug bol (katten rug), duwen we de knie voor de tenen uit, schouders ontspannen, lichaam boven het linker- en rechterbeen is 90 graden en tussen bovenbeen en onderbeen zo klein mogelijk:

Lichaamshouding:
Bij het recht vooruit schaatsen gaan romp en schouder in horizontale richting in de breedte van de slag van links naar rechts enz.. bij het schaatsen door een bocht wordt de ene schaats in een spoor parallel aan de richting van de bocht voor de andere schaats geplaatst. Het lichaam als het ware om de lengte-as van de romp in dit spoor mede. Het hoofd kijkt schuin naar voren in de richting van de bocht.

De afzet:
De afzet wordt uitgevoerd met de scherpe binnenkant van de schaats en geschied zijwaarts, met de volle lengte van de schaats. Hierbij strekt het gebogen afzetbeen zich geheel uit en verplaatst het zwaarte punt van het lichaam zich gelijktijdig boven het andere (glijbeen). Als de afzet meer naar achteren plaatsvindt (b.v. bij te laat inzetten) wordt met de punt van de schaats afgezet en wipt het lichaam omhoog. Het gestrekte afzetbeen verplaatst zich vervolgens met gebogen knie, zonder een bewegingspauze, ontspannen naar voren en gaat over in glij-fase. Romp en schouders gaan in deze beweging mee en verplaatsen zich bij een goede schaatsstijl in een horizontaal vlak heen en weer. De armen zijn ontspannen en elleboog en schouder gebogen en komen in de hoogste stand niet boven de schouders uit. Zij bewegen zich in voorwaartse richting langs het lichaam, duim omhoog, achter omlaag.

Het glijden:
Het glijden is wel een moeilijk onderdeel omdat de schaatser zich op een smal ijzer in evenwicht moet houden (coördinatie). Hierbij is, naast de juiste houding en recht op de schaats staan, ook evenwichtsgevoel een essentiële voorwaarde. Een goed uitgevoerde afzet, bevordert een juiste manier van glijden. Het glijden geschiedt midden op het horizontale vlak van het schaatsijzer, en de bewegingen afzet-glijden-afzet-glijden verlopen regelmatig en ritmisch.
De coördinatie van arm- en beenbeweging is voor het schaatsen dezelfde als bij het lopen. Dit houdt in dat bij het naar voren plaatsen van het linkerbeen, de rechterarm naar voren beweegt, en vice versa. Het zwaaien van de armen geschiedt los vanuit de schouders, langs het lichaam, in de rijrichting en zwaaien niet hoger op dan schouderhoogte.

Het bochten schaatsen:
Op een normale schaatsbaan komt men tweemaal een bocht tegen. Vandaar ook dat er andere bewegingen nodig zijn om een bocht goed door te komen, zoals afzet en lichaamshouding. Bij het schaatsen door een bocht verschilt de afzet met het linkerbeen principieel van die met het rechterbeen. De afzet met het rechterbeen geschiedt met de binnenkant van het gehele schaatsijzer zoals bij het normale recht vooruit rijden. Tegelijk met de afzet is het lichaamsgewicht op het linkerbeen overgebracht. Na de afzet beweegt zich het rechterbeen met gebogen knie ontspannen langs het linker glijbeen naar voren. Daarna zet zich het linkerbeen achter het lichaam door en wordt met de buitenkant van het schaatsijzer zijwaarts van de bocht af naar buiten afgezet. Deze afzet geschiedt met gestrekt been en het volle schaatsijzer, het afzetten met de punt moet vermeden worden . Druk het schaatsijzer bij de afzet zolang mogelijk op het ijs. Tegelijk met de afzet is het lichaamsgewicht op het rechterbeen overgegaan. Na de afzet komt het schaatsijzer over de volle lengte ineens op het ijs, het afzetbeen wordt licht in de knie gebogen langs het rechterglijbeen gebracht en het gewicht volledig op het glijbeen.